De school
Wat Daseinsanalyse is
Een psychotherapie die fenomenologisch-hermeneutisch is van methode en ontologisch-antropologisch van oriëntatie. Zij eerbiedigt het verschijnsel als dat wat zich vanuit zichzelf toont.
- Martin Heidegger Sein und Zeit · 1927
- Ludwig Binswanger 1881–1966
- Medard Boss 1903–1990
- Gion Condrau 1919–2006
De sleutelwoorden
1.1.: De grondleggers: Binswanger, grondlegger op het gebied van de beschrijvende psychiatrie,
Boss, grondlegger van een psychotherapeutische methode en voortzetter Condrau, de grondlegger van de daseinsanalytische psychotherapeutische school
1.2.: De Daseinsanalyse als psychotherapie berust op de ontologie van Martin Heidegger
1.3.: Het gestemde verstaan van Heideggers betekenis van Da-sein 1.4.: De fenomenologische antropologie en werkwijze (Husserl) 1.5.: De hermeneutische fenomenologie van Heidegger in „Zijn en Tijd” 1.6.: De vraag naar het „Zijn” 1.7.: Grondbegrippen:
| Duits | Engels | Frans | Portugees |
|---|---|---|---|
| Sein | Being | Être | Ser |
| Dasein | Being-There | Être le-là | Dasein (Ser-ai) |
| In-der-Welt-Sein | Being-in-the-world | Être-au-monde | Ser-no-mundo |
| Entwurf / Geworfenheit | Project/Thrownness | Projet / Déréliction | Projeto/ Ser-lançado |
| Sein-zum-Tode | Being-towards-death | Être-vers-la-mort | Ser-para-morte |
| Sorge | Care | Souci | Cuidado/cura |
| Zeit | Time | Temps | Tempo |
| Ereignis | Event | Evénement-appropriant | Acontecimento apropriativo |
| Gelassenheit | Detachment | Laisser-être / Sérénité | Serenidade |
| Lichtung | Clearing | Eclaircie | Clareira |
| Offenständigkeit | Openness | Apérité | Abertura |
| Entschossenheit | Resoluteness | Résolution | Resolução |
| Frei-Sein | Being-free | Être-libre | Ser-livre |
Geschiedenis en grondslagen
Aan het begin van de twintigste eeuw durfden verscheidene denkers hun vrees uit te spreken dat de macht van de natuurwetenschap de grondslag van de psychotherapie zou overschaduwen, ja zelfs verpletteren — die grondslag die wortelt in de vraag: „Wie is de mens?” Martin Heideggers Daseinsanalytik legde in Sein und Zeit (Zijn en Tijd) (1927) het fundament. De Analytik van het Da-sein (als het daar van het zijn) heeft tot taak te tonen dat de wereld niet louter het geheel is van alle voorwerpen die tegenover een ik of subject staan, een gedachte die het cartesiaanse denken stelde en die voor de natuurwetenschappen grondleggend is. Heidegger toonde dat de wereld niet toegankelijk is zonder een voorafgaande betrokkenheid van de mens op haar. Het menselijke Da-sein is die aanwezige openheid voor de wereld, altijd al op haar betrokken, daarin zo gesitueerd dat het in de uitvoering van elk handelen naar haar verwijst. Daaruit volgt dat de mens lijfelijk (leiblich) aanwezig en in zijn wereld gesitueerd is. Heideggers Daseinsanalytik leeft voort in het denken en de praktijk van clinici als Daseinsanalyse, dankzij de grondlegger van de Daseinsanalyse, Ludwig Binswanger (1881-1966), psychiater, die met de fenomenologische methode zorgvuldig aantoonde hoe de ideologie van de natuurwetenschappen en de daarop gebaseerde denkwijze tekortschieten om menselijk ervaren en gedrag te verantwoorden, en de eigen aard van het menselijke existeren missen. Medard Boss, een Zwitsers psychiater (1903-1990) die als de eerste vertegenwoordiger van de Daseinsanalyse als therapeutische methode kan gelden, heeft de Daseinsanalyse altijd duidelijk onderscheiden van de Daseinsanalytik (een deel van Heideggers fundamentele ontologie). Het is van belang telkens weer te benadrukken dat de Daseinsanalyse geen rechtstreekse toepassing van heideggeriaanse begrippen in de klinische praktijk is. De Daseinsanalyse zoekt de zin van de existentie van elke mens in diens unieke persoonlijke ervaring. De therapeutische reikwijdte van de Daseinsanalyse berust op een verstaan van de wijze waarop het fenomeen van de menselijke existentie zich toont in haar aanvaarden van wat is zoals het is. Zulk verstaan leidt tot een vernieuwende vorm van klinisch werk. Boss bezorgde Heideggers Zollikoner Seminare, die studiebijeenkomsten voor psychiaters en geneeskundestudenten optekenen. Het werk is een mijlpaal in de geschiedenis en ontwikkeling van de Daseinsanalyse. De seminars gaan uit van de beginvraag: wat betekent het te existeren? Andere besproken begrippen zijn empirisch bestaan, werkelijkheid, objectiviteit, uitgebreidheid als eigenschap van de ruimte, wat het betekent ruimte in te nemen, waarneming, het begrip stoffelijk lichaam (Körper), het lijf van de mens (Leib) en het lijffenomeen (Leibphänomen), en de vrijheid. Gion Condrau (1919-2006) was in 1971 medeoprichter en directeur van het Daseinsanalytisch Instituut voor Psychotherapie en Psychosomatiek. Het instituut werd later bekend als de Zürichse Daseinsanalytische School. Condrau was geschoold in psychiatrie, neurologie en filosofie. Hij werd daseinsanalyticus na zijn leeranalyse bij Medard Boss en volgde van 1959 tot 1969 Martin Heideggers Zollikon-seminars. In zijn talrijke publicaties richtte Condrau zich op de doorwerking van Heideggers denken in het klinische en psychotherapeutische werk, en ontwikkelde hij een daseinsanalytische theorie van de neurose en de psychosomatiek op fenomenologische grondslag. In 1990 stichtten Condrau en de Zürichse groep de Internationale Federatie voor Daseinsanalytische Psychotherapie (IFDA).
Alice Holzhey ontwikkelde een nieuwe daseinsanalytische benadering van het psychisch lijden, eveneens gegrond in Heideggers existentiale antropologie in Sein und Zeit, maar met opname van belangrijke inzichten van Kierkegaard en Sartre. Deze versie van de Daseinsanalyse steunt op de psychoanalyse, maar geeft aan de beslissende ontdekkingen van Sigmund Freud een existentiale betekenis. Zij benadert de psychopathologie langs een existentiale hermeneutiek die de mens ontsluit als een „lijden aan het eigen zijn”. Ook de droomduiding wordt hermeneutisch benaderd.
Theorie en methode
De Daseinsanalyse laat zich verstaan als een vorm van psychoanalyse die fenomenologisch-hermeneutisch te werk gaat en ontologisch-antropologisch georiënteerd is. Zij gaat verder dan het wetenschappelijke model van de psychoanalyse, dat beperkt blijft tot objectiveringen van de menselijke existentie. Haar grondhouding vraagt de grootst mogelijke eerbied voor de fenomenen zelf (een fenomeen verstaan als dat wat zich vanuit zichzelf toont, als dat wat zich aan ons ontsluit). Geleid door het fenomenologische inzicht van Edmund Husserl dat al wat „is” zich in en vanuit zichzelf toont, richt de Daseinsanalyse zich op de fenomenen als grond van de zin in het menselijk leven. Deze openbaren zich in het feitelijke voltrekken van het in-de-wereld-zijn van een patiënt, zoals het in beeld komt. De dragende grond en kern van daseinsanalytische therapie is de andere mens (Da-sein) in zijn of haar verhouding tot de therapeut. Vanaf het allereerste begin staan daseinsanalyticus en daseinsanalysant in een oorspronkelijke medemenselijke verhouding waarin elk van beiden zijn deel bijdraagt. Beiden zijn betrokken in een gebeuren dat de ontwikkeling van hun wederzijdse verhouding bepaalt, de daseinsanalysant tot zelfstandigheid brengt en hem zijn plaats in de wereld toont. Het uitgangspunt van een daseinsanalytisch verstaan van menselijk lijden is de existentie van de mens. Existentie duidt niet louter het voorhanden-zijn van een waarnemend wezen (voorwerp) aan, maar de eigen zijnswijze van de mens als wereldbetrokken Da-sein. Stemmingen zijn wijzen van bevindelijkheid die onmiddellijk een verhouding tot de wereld ontsluiten, dikwijls doordat men zich van het eigenlijke zelf-zijn afwendt. Zo toont zich in de angst (een van de grondwijzen van bevindelijkheid) de mogelijkheid niet meer te kunnen zijn als vrees voor het niet-zijn (het niets) en als bezorgdheid om de eigen existentie. Dromen zijn een belangrijk gebied van therapeutische verkenning in de Daseinsanalyse. Anders dan de psychoanalyse verlangt de Daseinsanalyse geen herduiding van een droom door een wens aan de basis ervan te veronderstellen. De droom wordt genomen zoals hij zich toont, als deel van het in-de-wereld-zijn. Daseinsanalytici onderscheiden geen manifeste droominhoud van zogenaamde latente gedachten. In haar methode tracht de Daseinsanalyse aan elk afzonderlijk menselijk Da-sein te beantwoorden. In het spoor van Heideggers inzichten ziet de Daseinsanalyse de existentie van de mens als een gebied van openheid van het Da-sein voor alles wat het ontmoet. De Daseinsanalyse verstaat het zijn van het menselijke Da-sein in de veelvoudige wijzen van zijn aanwezigheid als openheid voor de wereld. Zulke aanwezigheid omvat openheid voor het afwezige zowel als voor het aanwezige, voor het verleden zowel als voor het toekomstige, die tezamen de volle tijdelijke omvang van de mens uitmaken. In de Daseinsanalyse gaat het erom de persoon te bevrijden van elke belemmering van deze openheid, dat wil zeggen van zijn waarheid als onverborgenheid (Unverborgenheit) van het zijn. Dat bevrijdt tot zelf-zijn in het met-elkaar-zijn en het voor-elkaar-zijn.
Behandeling
Gezien haar grondverstaan van de mens is de Daseinsanalyse geschikt voor de behandeling van alle vormen van psychisch en psychosomatisch lijden, mits de cliënt gemotiveerd, bereid en in staat is zijn eigen existentie en de conflicten daarvan aan te gaan. Ontwikkelingsstoornissen die de volledige vervulling van de voor de patiënt beschikbare mogelijkheden van verhouding hebben verhinderd, tonen zich in neurotische, psychosomatische en psychotische stoornissen. De daseinsanalysant heeft tot taak zich te laten binnengaan in de „ruimte” van een verhouding die ontstaat, om in de therapeutische verhouding verder te rijpen. Het doel van daseinsanalytische therapie is dat de persoon op optimale wijze open kan blijven voor zijn wereld, zodat een vrij, zelfverantwoordelijk existeren mogelijk wordt door het ontdekken van zijn Da-sein en de dynamiek daarvan. Grondvragen zijn zijn zijn of niet-zijn, leven en dood, maar ook het zelf-zijn evenzeer als de zorg voor zichzelf en voor anderen, het openlijk aanwezig zijn vanuit het gezichtspunt van de ander (het met-elkaar-zijn), en de openheid voor de omwereld (Umwelt), dat wil zeggen alles wat niet-menselijk is, bezield en onbezield, dat hij ontmoet. De daseinsanalytische psychotherapie verstaat psychisch en psychosomatisch lijden als wijzen van beperkt en onvrij existeren ten aanzien van de omwereld en ook de Mitwelt (de wereld met anderen). Voor de Daseinsanalyse hebben psychische symptomen zin, waarvan de verheldering de patiënt tot zichzelf en tot de grond van zijn lijden voert. Het is de taak van de daseinsanalytische therapeut: • inzicht te verwerven in de geleefde en lijfelijke wijzen waarop de aan ieder gegeven zijnsmogelijkheden (existentialia) worden gedragen, die voor zijn existentie constitutief zijn; en • in zijn gelatenheid (Gelassenheit) te beantwoorden aan de zich ontwikkelende verhouding tot de daseinsanalysant.
Op dit ogenblik in de geschiedenis van de psychotherapie biedt de daseinsanalytische benadering de meest ruimhartige toegang tot de menselijke existentie, een toegang die zich niet beperkt tot de natuurwetenschappelijke houding die het veld sinds zijn ontstaan beheerst.
Organisatie
De Daseinsanalyse wordt in verscheidene landen ter wereld beoefend. Elk daarvan heeft een nationale vereniging die de opleiding en de supervisie van de beoefenaars beheert. Een internationale federatie (IFDA), aangesloten bij de Europese Associatie voor Psychotherapie, overkoepelt de nationale verenigingen. De Federatie heeft tot doel de eigen kenmerken van de Daseinsanalyse te verhelderen en te bewaren, de oprichting van nationale verenigingen te bevorderen en hun de wezenlijke richtlijnen van de praktijk te verschaffen, „onderwijs en onderzoek te bevorderen op de gebieden van de daseinsanalytische fenomenologie, antropologie en daseinsanalytische therapie, seminars, lezingen, cursussen en congressen te organiseren, wetenschappelijke publicaties en boekbesprekingen van daseinsanalytische signatuur te steunen, en contacten te leggen met andere scholen van psychotherapie en filosofie.
Daseinsanalytische psychotherapie
Door Gion Condrau
Door prof. dr. Gion Condrau
De Daseinsanalyse dankt haar ontstaan en ontwikkeling aan de geestelijke vernieuwing in het kielzog van de twee wereldoorlogen. Op het gebied van de psychiatrie kwam in de jaren twintig een beweging op gang, deels aangewakkerd door de discussies rond de freudiaanse psychoanalyse, deels door een wetenschappelijk onbehagen ten aanzien van de overgeleverde, systematiserende klinische psychopathologie; zij zocht naar een nieuw verstaan van de grondslagen van de menselijke existentie en haar stoornissen. Vooral de eenzijdige, natuurwetenschappelijke oriëntatie van psychiatrie en psychotherapie was voorwerp van heftige kritiek. Hieruit kwam de zogenoemde „antropologische” psychiatrie voort, in gang gezet door vermaarde onderzoekers als Ludwig Binswanger, Viktor von Weizsäcker, Viktor von Gebsattel, Eugène Minkowski, Erwin Straus, Rollo May, R. D. Laing en anderen.
Ludwig Binswanger (1881-1966) geldt als de eigenlijke aanzetgever van de daseinsanalytische psychiatrie. In het begin evenwel noemde hij, na zijn intense studie van Husserls fenomenologie, zijn onderzoeksrichting „fenomenologische antropologie”. Vanaf 1941 gaf hij de voorkeur aan „Daseinsanalyse” voor zijn nieuwe wetenschappelijke benadering. Op dat ogenblik was Binswanger al beslissend beïnvloed door het werk van Martin Heidegger, in het bijzonder door diens in 1927 verschenen boek „Zijn en Tijd”. Ludwig Binswangers hoofdwerk „Grundformen und Erkenntnis menschlichen Daseins” (grondvormen en kennis van het menselijke Dasein) verscheen in 1942. Daarop volgde een hele reeks publicaties over de Daseinsanalyse, over de taal en het gedrag van schizofrenen, alsook studies over melancholie en manie. Vermeld dient te worden dat Binswanger ook beïnvloed werd door Sigmund Freud, met wie hij een levenslange vriendschap onderhield, hoewel hij het oneens was met de hoofdstellingen van de psychoanalytische theorie.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Zürich een school van Daseinsanalyse die van Binswanger afweek. Haar eerste zorg was de praktische toepassing van Heideggers fenomenologie op de neurosenleer en de psychotherapie. Medard Boss (1903-1990) was erin geslaagd Heidegger persoonlijk te interesseren voor de zorgen van psychotherapeuten en hem te doen deelnemen aan het bijbehorende opleidingsprogramma. Dit leidde eerst tot een bespreking en kritiek van de metapsychologie van de freudiaanse psychoanalyse en van C. G. Jungs analytische psychologie. Terwijl Boss in zijn eerste daseinsanalytische publicaties duidelijk onder de invloed van Ludwig Binswanger stond, distantieerde hij zich vrij abrupt van hem. In 1957, na een congres in Madrid, publiceerde Boss een beslissende kritiek op Freud, Jung en Binswanger, die helaas tot een breuk tussen beide geleerden leidde. Binswanger voelde zich zowel door Boss als door Heidegger verraden en verwees van toen af meer naar Husserl, terwijl Boss door Heidegger werd gesteund, met wie hij een persoonlijke en wetenschappelijke vriendschap ontwikkelde. Terwijl Binswanger openlijk weigerde zijn „psychiatrische Daseinsanalyse” te institutionaliseren en zich op grondslagenonderzoek toelegde (veeleer dan op psychotherapeutische waarden), stichtte Medard Boss samen met Gion Condrau in 1970 de Zwitserse Vereniging voor Daseinsanalyse en in 1971 het Zürichse Instituut voor Daseinsanalytische Psychotherapie en Psychosomatiek, later bekend als de Medard Boss Stichting. Van 1959 tot 1968 bezocht Heidegger Boss in Zollikon, waar hij de beroemde, wereldwijd bekende „Zollikon-seminars” hield. In 1984 werd in Zürich de Zwitserse Beroepsfederatie voor Daseinsanalyse opgericht.
Bijgevolg berust de Daseinsanalyse als psychotherapie op de ontologie van Martin Heidegger en op zijn fenomenologische visie op de existentie van de mens als het gebied van openheid van het Dasein voor alles wat het ontmoet. Dit betekent dat het menselijke Dasein in beginsel open en vrij is om alles onvertekend waar te nemen wat zich vanuit zijn zinsgehalte vanzelf ontsluit. Hierin verschilt de fenomenologie van het dualistische wereldbeeld van de natuurwetenschappen, die uiteindelijk berusten op de filosofie van René Descartes, volgens welke een onoverbrugbare kloof bestaat tussen de menselijke geest en de meetbare materie.
Zulk een visie op de aard van de mens leidt noodzakelijk tot een nieuwe antropologie, dat wil zeggen een wetenschap die zich losmaakt van een zuiver natuurwetenschappelijke reductie, maar evenzeer van metapsychologische speculaties. Terwijl de biologie slechts een deelaspect van de menselijke existentie kan vatten, geeft de metapsychologie van de positivistische school — daseinsanalytisch gezien — de bodem van de zichtbare werkelijkheid prijs.
Dit heeft gevolgen voor de therapie. In zekere zin kan de Daseinsanalyse worden gezien als een verdere ontwikkeling van de psychoanalyse. Het uiterlijke kader is min of meer onveranderd gebleven. Er zijn echter wezenlijke verschillen wat de duiding van symptomen, symbolen en dromen betreft. Op die gebieden gaat de Daseinsanalyse fenomenologisch te werk; zij komt zonder causaal-genetische duidingen uit en vraagt in plaats daarvan indringender naar de zin en het zinsgehalte van de waargenomen fenomenen. De zorg van de Daseinsanalyse is het zien (sehen), niet het verklaren (erklären). Het gewicht en de betekenis van dit „zien” komen aan het licht in de leer van de neurosen en de psychosomatische ziekten.
Het lijdt geen twijfel dat Martin Heideggers denken de psychotherapeutische theorie en praktijk heeft beïnvloed in een mate die niet genegeerd kan worden (zie Gion Condrau: Martin Heidegger’s Impact on Psychotherapy, New York, Wenen 1998). De Zürichse school van de Daseinsanalyse heeft vele malen de mogelijkheden onderzocht om het woord „Dasein” in andere talen te vertalen, in het bijzonder in het Frans en het Engels. Wij kwamen tot de slotsom dat „Dasein” als zodanig door elke vertaalpoging zijn eigen betekenis verliest. Wij besloten daarom de term „Daseinsanalyse” te behouden, om haar te onderscheiden van de zogenoemde existentiële, interpersoonlijke of humanistische psychotherapieën, aangezien hij enkel en alleen verwijst naar Martin Heideggers ontologische analytiek van het Dasein. Natuurlijk bewegen wij ons, wanneer wij over theorie en praktijk spreken, op wetenschappelijke en niet op filosofische bodem; maar zoals Heidegger zelf altijd staande hield en ook ten tijde van zijn seminars in Zollikon herhaaldelijk uitsprak, wortelt elke wetenschap in filosofische grondstellingen. Dit geldt evenzeer voor de natuurwetenschappen als voor elke andere wetenschappelijke benadering, ook al worden die wortels niet uitdrukkelijk erkend of genoemd. De Daseinsanalyse tracht, overeenkomstig haar totaalvisie, het cartesiaanse dualisme van subject en object te overwinnen, en daarmee ook het dualisme van psyche en soma. In zoverre spreken wij niet van psychogene of somatogene ziekten, hoewel de Daseinsanalyse omwille van het wederzijdse verstaan de term „psychosomatiek” nog behoudt. De daseinsanalytische benadering van het menselijk lijden is een fenomenologische. De fenomenologie is, zoals Heidegger haar (anders dan Edmund Husserl) bepaalt, geen kwestie van bewustzijn maar een kwestie van inzicht: zij onthoudt zich van duidingen en laat de fenomenen voor zichzelf spreken. In dit opzicht verschilt zij natuurlijk van psychoanalytische of jungiaanse theorieën, hoewel zij enkele praktische aanbevelingen heeft overgenomen, vooral van Freud.
Moderne wetenschappers, psychiaters, psychologen en artsen hebben het werkelijke gewicht van het voor de hand liggende meestal uit het oog verloren. Zij zien vaak de rijkdom over het hoofd van wat onmiddellijk ervaren kan worden, en richten zich erop zo snel mogelijk tot een indirecte, op een achtergrond gebaseerde, theoretische verklaring te komen van alles wat zij ontmoeten, waarmee zij hun onderzoeksvoorwerp berekenbaar en daarmee ook herhaalbaar maken. Hiertegenover staat de fenomenologische of existentiaalanalytische benadering, die een eenvoudig ervaren van de waargenomen fenomenen benadrukt. Zij verwijlt bij de zaak zelf die verkend moet worden, en tracht steeds de zin daarvan uitdrukkelijker te vatten. Zij is daarmee op uitnemende wijze „objectief” of werkelijk. Het recht op een bijzondere plaats op het gebied van psychiatrie, psychologie, psychotherapie en psychosomatiek vloeit voort uit het feit dat al deze wetenschappen in beginsel met de mens te maken hebben. Minder dan wat ook laat de mens zich in berekenbare grootheden oplossen. De voorrang van de existentiaalanalytische wetenschappelijke methode op deze gebieden heeft haar verdere grond in de aard van de neurotische, psychosomatische en psychotische wijze van ziek-zijn. Deze berust wezenlijk niet in de eerste plaats op telbare grootheden, zoals het geval zou zijn wanneer de natuurwetenschappen zich ermee bezighielden. Zij kan enkel worden verstaan door inzicht in de onberekenbare hoedanigheden van de steeds andere, verstoorde, beslissende en onvrije verhoudingen van de afzonderlijke patiënt tot de mogelijkheden van zijn wereld. Dit sluit natuurlijk niet uit, maar sluit in, dat met de methoden van de natuurwetenschap in de existentie van gezonde zowel als zieke mensen gegevens gevonden kunnen worden die nuttig en somatisch van belang zijn. Maar langs deze weg vindt men nooit de specifiek menselijke grond van gezond- en ziek-zijn.
Het is klaarblijkelijk niet juist — zoals het soms gebeurt — de existentiaalanalyse als „filosofie” tegenover de psychoanalyse als „wetenschap” te stellen. Beide zijn wetenschappen van de mens, beide als het ware „antropologieën”; beide behoren tot de psychiatrie, de psychologie en de psychotherapie. Dat geldt nog steeds in een tijd waarin de engere medische betekenissen van „ziekte” en „gezondheid” door het sociologische gezichtspunt zijn verruimd. Vandaag stellen psychiaters, psychologen en psychotherapeuten zich niet meer tevreden met het louter opstellen van theorieën. Steeds vaker vragen zij naar de zin en de betekenis van wat ziek is en genezen moet worden. Om de verhouding van lichaam en ziel op te helderen en te trachten aan de doodlopende weg van de dualistische levensbeschouwing te ontkomen, zijn zij genoodzaakt filosofen te raadplegen om de existentie van de mens beter waar te nemen. Elke poging de mens te verklaren en aan hem te handelen, ook in de psychologische en medische wetenschappen, steunt op vooronderstellingen die filosofisch en voorwetenschappelijk zijn.
Door met deze filosofische vooronderstellingen rekening te houden wordt de kwaliteit van het praktische werk van de psychiater en de psychotherapeut gevestigd, want hun werk wordt stellig beïnvloed door hun wijze van wereldverstaan.
Lexicon
De termen waarin dit werk zich voltrekt blijven Duits. De school concludeerde dat zij de vertaling niet overleven.